Print deze pagina

2. Organisatie van de zorg


2.1 Zorg op groepsniveau

2.1.1 Afstemming

Vanuit onze visie begint de zorg op groepsniveau. Wanneer er in het onderwijs afstemming plaats vindt tussen de onderwijsbehoeften van het kind en het onderwijsaanbod van de school, zal dat betekenen dat er minder z.g. uitvallers zijn in de groep.
Kinderen volgen min of meer de individuele leerroutes.
Leerkrachten zullen regelmatig met de gehele groep een onderwerp aansnijden, maar vaak zullen de leerlingen op verschillende momenten het gestelde einddoel verwezenlijken.
Eén en ander houdt wel in dat er een goed systeem moet bestaan om de ontwikkelingen van de leerlingen nauwlettend in de gaten te houden, zodat adequaat op die ontwikkelingen kan worden ingespeeld.
We hebben op school afspraken over de manier waarop de voortgang van de cognitieve vaardigheden geregistreerd en gerapporteerd dient te worden.
Dit gebeurt middels het rapport wat de leerlingen drie keer per jaar mee naar huis nemen.
In de diverse groepen zijn er nog andere observatie- en toetsingsmomenten, die een fijner beeld geven van die ontwikkelingen.
Deze zijn echter zeer groeps- of zelfs leerkrachtgebonden. Dat kan ook vaak niet anders omdat elke groep zijn eigen leerdoelen heeft.

2.1.2 De gemiddelde verwachting

Hoewel we er naar streven de afstemming tussen onderwijsaanbod en mogelijkheden van kinderen zo groot mogelijk te laten zijn, hebben we er toch voor gekozen om gedurende de individuele leerweg van de leerlingen deze regelmatig af te zetten tegen een gemiddelde verwachting van een kind met een gelijke didactische leeftijd. De reden waarom we dit doen zijn tweeledig:

  • Het is een manier om te signaleren of kinderen problemen dreigen te krijgen met de voortgang in de leerdoelen.
  • Het is een manier om ouders duidelijk te maken hoe hun kinderen het doen t.o.v. de leeftijdgenoten.

Dat betekent niet dat we er naar streven om alle kinderen aan die gemiddelde verwachting te laten voldoen. Integendeel, een aantal leerlingen zal er ruimschoots aan voldoen, maar er zullen ook leerlingen zijn die niet aan die verwachtingen voldoen. Sommige kinderen ontwikkelen zich nu eenmaal langzamer dan anderen. Wanneer de ontwikkeling van kinderen stagneert of sterk achter blijft bij die van de gemiddelde voortgang is dat vaak een reden om maatregelen te treffen. We komen hierop terug.

2.1.3 De zorg in de groep

Zoals blijkt uit bovenstaande is de zorg in de groep dus vooral preventief van karakter. De leerkracht zorgt zelf voor de invulling en uitvoering ervan. De taak van de leerkracht is om zo goed mogelijk aan de be-hoeften van de leerlingen tegemoet te komen. Hij/zij doet dit via meerdere instructiemomenten. Zeker de kinderen met een bijzondere onderwijsbehoefte dienen bijzondere aandacht te krijgen. Het betreft:

  • Kinderen bij wie het onderwijsleerproces niet als vanzelf verloopt. Dit kunnen kinderen zijn van wie de leerprestaties achterblijven en kinderen voor wie het reguliere onderwijsaanbod te weinig uitdaging biedt.
  • Kinderen met een andere culturele en /of anderstalige achtergrond.

Voor deze kinderen hebben we speciale voorzieningen. Hiermee streven we na dat ze zo optimaal mogelijk van het onderwijs kunnen profiteren. In uitzonderingsgevallen kan dit betekenen dat we voor een kind minimumdoelen vaststellen. Dit gebeurt dan door de groepsleraar in overleg met de ouders en de intern begeleider. Er is dan ook sprake van een continue proces van evaluatie en bijstelling van gegeven onderwijs, waarbij de leerkracht zelf, eventueel in overleg met een collega of de intern begeleider, beslist wie deze extra ondersteuning op groepsniveau nodig hebben. Het onderwijs op onze school moet dan ook gekenmerkt worden door:

  • Aangepaste didactiek: met effectieve instructie, effectieve leertijd, en perioden van zelfstandig werken met de nadruk op de instrumentele vaardigheden en het verwerven van een actieve en zelfstandige leerhouding.
  • Een effectieve klassenorganisatie: duidelijke planning en organisatie, ruimte voor extra ondersteuning, een goed leerlingvolgsysteem, voldoende lesmateriaal, instellen en naleven van groepsregels, juiste inrichting van een lokaal e.d.
  • Een goed pedagogisch klimaat: omgang met kinderen op basis van gelijkwaardigheid, accepteren van verschillen tussen de kinderen, bieden van een veilige omgeving, bevorderen van het zelfvertrouwen etc.

2.2 Signalering en diagnosticering

Signaleren en diagnosticeren zijn twee verschillende activiteiten. Bij signaleren gaat het uitsluitend om het onderkennen van de mogelijke aanwezigheid van leer- of gedragsproblemen. Bij diagnosticeren gaat het om het analyseren van de achtergronden van de leer- of gedragsproblemen en hoe die aangepakt kunnen worden. Vandaar dat het zinnig is om ze hier apart te bespreken.

2.2.1 Signaleren

De belangrijkste persoon voor het signaleren van problemen bij leerlingen is natuurlijk de groepsleerkracht. Deze zal zijn signalerende taak op verschillende manieren realiseren.

  • Spontaan: Een leerkracht ziet soms al heel snel wanneer leerlingen op één of andere manier opvallen en /of ze problemen hebben op een bepaald gebied. Van deze leerlingen wordt melding gemaakt in de leerlingenvoortgang bespreking (komt verderop aan de orde). De klassenleerkracht houdt deze leerlingen extra in het oog en probeert te corrigeren.
  • Systematische observatie: In verschillende groepen zijn voor de instrumentele vaardigheden ontwikkelingsschema's in gebruik, die een vrij nauwkeurig beeld geven van wat een kind allemaal beheerst. Kinderen die met hun cognitieve ontwikkeling achterblijven, vallen op deze wijze op.
  • Door middel van toetsen: dat kan om drie verschillende soorten toetsen gaan;
    - Leerkrachtgebonden toetsen; verschillende leerkrachten hebben in de loop der jaren zelf toetsen ontwikkeld die ze gebruiken na afronding van bepaalde leerstofonderdelen.
    - Methodegebonden toetsen; hierbij gaat het om bijv. dictees bij Taal Actief - woordspel of de toet-sen die horen bij de reken- en taal methode.
    - Niet-methode gebonden toetsen: Ik denk hierbij aan de AVI leestoetsen, die een aantal keren per jaar worden afgenomen.
    - Genormeerde toetsen; hierbij gebruiken we vooral toetsen die we via het CITO betrekken. In groep 8 nemen we de AOB toets en de Cito eindtoets af. Deze toetsen zijn ook van belang omdat je niet alleen zicht krijgt op je groep maar je kunt je ook vergelijken met landelijke maatstaven. Om inzicht te geven welke genormeerde toetsen in welk deel van het schooljaar en /of in welke groep worden afgenomen verwijs ik naar bijlage 1; de toetskalender.

Naast de leerkracht als degene die een belangrijke rol speelt bij het signaleren van probleemkinderen, zijn er nog meer mensen die een rol spelen bij het signaleren. De logopedist van de GGD is zo iemand. Door jaarlijks de vijfjarigen te screenen signaleert ook zij waar mogelijk problemen kunnen ontstaan op het gebied van de spraak- en de taalontwikkeling. Ook de schoolarts kan een rol spelen bij die signalering. Een andere belangrijke groep die signaleert zijn de ouders. Zeker als het gedragsproblemen betreft zijn zij de aangewezen personen om bij de leerkrachten aan de bel te trekken. Zij kunnen vertellen welke proble-men zij thuis met het kind ervaren. Signalen van ouders dienen we dan ook zeer serieus te nemen.

2.2.2 Diagnosticeren

Zoals gezegd gaat het hierbij vooral om het analyseren van de problemen en de mogelijke manieren waarop het probleem aangepakt kan worden. Heel lang, ook binnen onze school, heeft het idee geleefd dat dit toch vooral het werk was van specialisten zoals orthopedagogen, psychologen, medici etc. De laatste jaren is binnen ons team echter ook de nodige kennis opgedaan. Een leerkracht heeft de akte speciaal onderwijs, drie leerkrachten hebben het diploma remedial teaching, een leerkracht heeft de akte Nederlands als tweede taal. Ook hebben we de cursus motorische remedial teaching gevolgd. Het blijkt nu we beter geschoold zijn, dat we zeer goed in staat zijn om tot een goede diagnose te komen waar het gaat om leerproblemen. Een belangrijk argument daarbij is dat de betrokkenheid van een leerkracht die door diagnose informatie verzameld heeft, veel groter is bij het verwerken van deze diagnostische gegevens in handelingsplannen. Eén en ander betekent natuurlijk niet dat de diagnose van stagnerende onderwijs- en opvoedingsprocessen uitsluitend een zaak van leerkrachten, remedial teacher en intern begeleider zou worden. Als blijkt dat de problematiek verder gaat dan onze deskundigheid, (sommige testen mogen enkel door psychologen worden afgenomen) dan zullen ook anderen bij het proces van diagnosticering betrokken worden. Daarover later meer.

2.3 Interne overlegstructuren m.b.t. zorgleerlingen

In een aantal gevallen zal het nodig zijn om, over een leerling die zorgen oproept, overleg te voeren in een breder verband. Dat gaat dan om leerlingen waarbij:

  • De leerkracht het gevoel heeft er niet alleen uit te komen;
  • Blijkt dat de cognitieve ontwikkeling enkele niveaus achter loopt bij die van zijn of haar leeftijdgenootjes;
  • De sociaal emotionele ontwikkeling de leerkracht zorgen baart;
  • Ouders problemen hebben met hun kind en die ze graag besproken willen zien;
  • Vanuit andere hulpverleners signalen komen dat er iets aan de hand is met het kind.

In de meeste gevallen is het dus de leerkracht zelf die aangeeft dat er over een kind gesproken moet worden, maar het kan ook zijn dat een leerling n.a.v. een leerlingenvoortgang bespreking besproken wordt of dat er signalen zijn die aanleiding geven om het kind te bespreken. We gaan er vanuit dat het de leerkracht is die de zorgleerling inbrengt in een leerlingenbespreking.

2.3.1 Collegiale consultatie

Als blijkt dat een leerkracht overleg wil voeren over een bepaalde leerling omdat er twijfels zijn omtrent het niveau dan kan de groepsleerkracht besluiten tot het voeren van collegiale consultatie. Meestal is dit het eerste vangnet bij zorgleerlingen. Daar we met meerdere leerkrachten voor een groep staan is het voor de hand liggend dat de leerkracht, die eindverantwoordelijk is voor een groep met zijn collega's die ook les geven aan de groep, in gesprek zal gaan om over de problemen te praten. Dit overleg kan uitmonden in een aantal suggesties waar de leerkracht in de klas verder mee aan de slag kan, zonder dat het direct leidt tot een planmatige aanpak. Een collega kan ook op de remedial teacher of de intern begeleider afstappen met een vraag over een leerling. Zeker wanneer hij op zoek is naar het juiste materiaal kan de intern begeleider helpen met het zoeken of bestellen van deze materialen. Als het gaat om een conflictsituatie tussen een leerkracht, leerling en eventueel ouders zal de directeur een rol spelen in de consultatie, maar ook in andere omstandigheden kan er gebruik gemaakt worden van zijn deskundigheid en /of verantwoordelijkheid. (bv. problemen bij doorverwijzen naar het voortgezet onderwijs)

2.3.2 De leerlingvoortgang bespreking

Doel; De leerlingenvoortgang besprekingen zijn bedoeld om de vorderingen van alle leerlingen gedurende een bepaalde, afgebakende periode, te volgen, zodat leerlingen die achterblijven bij de gemiddelde verwachting of juist leerlingen die ver voor lopen, vroegtijdig worden gesignaleerd.

De leerlingenvoortgang bespreking vormt, met de leerlingenbespreking, de basis van de zorgverbreding binnen onze school. Er vinden vier voortgangsbesprekingen plaats. Het is een overleg tussen de leerkrach-ten van groep één en twee, groep drie en vier, groep vijf en zes en groep zeven en acht. Alle leerlingen van de twee opeenvolgende groepen worden aan de orde gesteld. Die leerlingen die opvallen vanwege achter-standen of vanwege het feit dat ze zeer gemakkelijk door de leerstof gaan worden extra bekeken. Tijdens deze voortgangsbespreking wordt besloten of men de leerling inbrengt in de leerlingenbespreking. Belangrijke vragen die men voor ogen dient te houden:

  • Op welke manier wordt de leerling ingebracht?
  • Welke gegevens dienen nog boven tafel te komen?
  • Wie levert die gegevens aan?
  • Wie doet er nog verder onderzoek?

De intern begeleider wordt op de hoogte gebracht en papieren voor de leerlingenbespreking worden bij hem ingeleverd zodat hij één en ander kan vermenigvuldigen en uitdelen aan de collega's, zodat ze zich kunnen voorbereiden op de leerlingen die ingebracht worden in de leerlingenbespreking.

2.3.3 De leerlingbespreking

Alle zorgleerlingen waar we planmatig iets aan willen doen komen in dit overleg terecht. Hier worden de beslissingen genomen over de te nemen stappen. Tijdens deze besprekingen komen de volgende kinderen aan de orde:

  • Kinderen die besproken zijn in de leerlingenvoortgang bespreking en waarvoor men onvoldoende handreikingen heeft kunnen vinden;
  • Kinderen met ernstige emotionele problemen;
  • Kinderen die we nader willen laten onderzoeken;
  • Kinderen die na interne hulp niet voldoende vorderen;
  • Kinderen die in aanmerking komen voor doorverwijzing naar het speciaal onderwijs;
  • Kinderen waarvan het probleem als voorbeeld kan dienen om een algemeen probleem binnen de school bespreekbaar te maken;
  • Evaluatie van kinderen die eerder besproken zijn;
  • Leerlingen die doorverwezen worden naar het voortgezet onderwijs;

De afspraken die we maken tijdens de leerlingenbespreking, krijgen een plaats bij:

  • De groepsleraar als er binnen de groep oplossingen voor het probleem mogelijk blijken;
  • De remedial teacher als er individuele hulp of hulp in kleinere groep noodzakelijk is;
  • De intern begeleider die papieren van leerlingen doorstuurt naar Leonie van der Maden van het RPCZ om deze leerlingen aan de orde te stellen in de consultatiebespreking.
  • Het Zorgplatform. (Komen we nog op terug)

2.3.3.1 De organisatie

Gezien het feit dat onze schoolorganisatie de afgelopen jaren flink is gegroeid komen niet alle leerlingen die vanuit de leerlingen voortgangsbesprekingen aan de orde zijn geweest en die we door willen verwijzen in de leerlingenbespreking uitgebreid aan de orde. Wanneer een leerling de eerste keer uitgebreid is besproken kiezen we bij een vervolg bespreking voor een andere opzet. De dinsdag voor de leerlingenbespreking komen de intern begeleider en / of de remedial teacher de groepen langs om met de groepsleerkrachten kort overleg te voeren over:

  • Leerlingen die al in de zorg zitten maar waar geen noemenswaardige veranderingen zijn opgetreden na de vorige leerlingenbespreking.
  • Leerlingen die in de zorg zitten, vooruit gegaan zijn, maar de zorg nog niet kunnen verlaten.

De groepsleerkrachten en / of de remedial teachers blijven van deze leerlingen wel handelingsplannen maken. De intern begeleider legt van deze leerlingen na overleg met de collega's verslaglegging vast. Deze leerlingen komen dan niet aan de orde in de leerlingenbespreking met het hele team.

We houden zo een selecte groep met leerlingen over om met het hele team door te spreken.

Vooralsnog kiezen we op dit moment niet voor een scheiding van onderbouw en bovenbouw t.a.v. de leerlingenbespreking.
Redenen;

  • zowel de r.t. leerkracht als de intern begeleider dient bij beide besprekingen aanwezig te zijn,
  • ook de leerkrachten van de middenbouw, de groepen vier, zullen bij de bovenbouw besprekingen aanwezig dienen te zijn om gegevens uit te wisselen.
  • De belangrijkste reden; wij vinden dat een beslissing omtrent zitten blijven, consultatie, Emergis verwijzing of zorgplatform uitgepraat, en gedragen dient te zijn door het gehele team.

De leerlingenbesprekingen vinden vijf keer per jaar plaats. De intern begeleider zit de vergadering voor en maakt ook de agenda voor de leerlingenbespreking. Van de vergaderingen worden notulen gemaakt. De directeur en de intern begeleider bewaren deze notulen. Op het eind van het schooljaar komen de gege-vens uit de notulen in de dossiermappen van de besproken leerlingen.

2.3.3.2 De fasen en stappen bij de leerlingenbespreking

De beschrijving die hieronder volgt is een weergave van de manier waarop de leerlingenbespreking vormt krijgt. Ook hierin zit een ontwikkeling. Tijdens de bespreking heeft iedereen zijn eigen rol: Gespreksleider

  • bewaakt de gefaseerde afhandeling
  • vat samen
  • geeft aan welke fase in de bespreking aan de orde is en rondt deze ook af.
  • let op het communicatieproces.
inbrenger
  • verzamelt zoveel mogelijk feitelijke informatie
  • zorgt dat er een bespreekformulier is ingevuld
  • licht gegevens toe
  • geeft antwoord op gestelde vragen.
gespreksdeelnemers
  • luisteren actief
  • zijn erop gericht het probleem helder te krijgen
  • zijn erop gericht actief mee te denken in het vinden van oplossingen

2.3.3.3 Fase 1: de voorbereidingsfase

Probleem formuleren. Hier gebruiken we twee soorten formulieren voor. Om een beeld te krijgen van de ontwikkeling van jonge kinderen (aanvangsgroepen) gebruiken we het formulier van vroegtijdige onderkenning (de VTO lijst van het RPCZ). Voor de andere kinderen gebruiken we een leerling bespreekformulier dat we zelf ontworpen hebben (zie Bijlage 2). Afspraak is dat voor leerlingen die in de leerlingenbespreking voor de eerste keer besproken worden, een bespreekformulier wordt ingevuld. De formulieren worden voorafgaand aan de leerlingenbespreking aan de deelnemers (lees; leerkrachten) overhandigd zodat ze zich erop voor kunnen bereiden. Op het einde van de vergadering worden ze door de intern begeleider weer verzameld. Een exemplaar komt in de remediemap van de intern begeleider terecht en een papier wordt in het dossier van de leerling gestopt. De andere exemplaren worden, uit oogpunt van privacy, vernietigd. In een aantal gevallen zal het betreffende papier niet de benodigde informatie verschaffen aan de deelnemers van de vergadering. Het is zinnig om dan toch een andersoortig schriftelijk verslag te maken, zodat dit later ook in het dossier is terug te vinden.

Gegevens verzamelen. Bij de voorlopige omschrijving van het probleem en/ of het bespreken daarvan met de collega's of met de interne begeleider kan blijken dat er nog meer gegevens nodig zijn om een goed beeld te vormen van het kind en zijn problemen. Het kan verhelderend zijn om vooraf bijv. toetsgegevens te verzamelen of informatie in te winnen bij andere instanties. Het zal niet altijd nodig zijn om dat ook te doen. Soms zal het probleem op zich al helder genoeg zijn.

2.3.3.4 Fase 2: het bespreken van het probleem

Probleemstelling verhelderen. a. toelichting.
Degene die de leerling in de bespreking inbrengt geeft toelichting op het door hem / haar ingevulde bespreekformulier. Het gaat hierbij zoveel mogelijk om feitelijke informatie. Andere deelnemers moeten erop gericht zijn om het probleem goed voor ogen te krijgen zonder daarbij af te gaan op eigen interpretaties e.d.

b. verhelderingronde.
Na deze toelichting kunnen er vragen gesteld worden door de anderen. Dit is nog steeds bedoeld om het probleem helder te krijgen. Ook hier geldt dat eigen interpretaties of oplossingen nog niet aan de orde zijn. Door het gericht stellen van vragen kan voor ieder (soms ook voor de inbrenger) meer helderheid geschapen worden. De inbrenger probeert de informatie zo feitelijk mogelijk te houden.

Probleem vaststellen.
Nu kan de probleemstelling duidelijk geformuleerd worden. De interne begeleider die de vergadering voorzit heeft hierbij een belangrijke rol. Hieraan gekoppeld kunnen ook specifieke zorgvragen geformuleerd worden.

2.3.3.5 Fase 3: de richting bepalen van de hulp

Het zoeken van oplossingen. Vaak zijn we in de leerlingenbespreking snel geneigd om oplossingen aan te dragen. Pas als voorgaande stappen zijn gezet is het verstandig om aan deze fase te beginnen. In deze fase worden oplossingen aange-dragen zonder hierover een oordeel te vellen. Wat kunnen we aanpakken en op welke manier? Wat voor activiteiten kunnen we ontwikkelen? Waar moeten we rekening mee houden? Het maken van keuzes. Uit de aangedragen oplossingen moeten nu de keuzes gemaakt worden die het beste aansluiten bij de zorgvraag van de leerling. Daarbij gaat het niet om zoveel mogelijk, maar om zo goed mogelijk. De beoordeling van de oplossingen is in de eerste plaats een zaak van de aanbrenger, maar alle deelnemers aan de vergadering dragen verantwoordelijkheid voor de gemaakte keuzes.

In verband met het efficiënt werken, zal het niet in alle gevallen nodig zijn om bovengenoemde procedure uitputtend te gebruiken. Bij sommige leerlingen zal de problematiek voor de deelnemers aan het gesprek al heel duidelijk liggen en in een aantal gevallen zullen er ook voor de hand liggende oplossingen te vinden zijn. De beschreven procedure zal in de meeste gevallen wel de leidraad zijn waarlangs het gesprek verloopt.

2.3.4 De consultatiebespreking

Leerlingen uit de leerlingenbespreking die nog steeds vragen oproepen voeren we in bij de consultatiebespreking. Op het eind van de leerlingenbespreking bepalen we of leerlingen hiervoor in aanmerking komen. Leonie van der Maden van het RPCZ begeleidt ons in de consultatiebespreking. De intern begeleider stuurt materiaal van de leerlingen naar haar op en stelt hulpvragen. Tijdens deze besprekingen die altijd volgen na een leerlingenbespreking, proberen de groepsleerkracht, de remedial teacher en de intern begeleider tot werkafspraken te komen zodat problemen zich kunnen oplossen. De hulp wordt, indien mogelijk, door de leerkracht gegeven. Soms zullen derden ingeschakeld worden voor hulp en / of nader onderzoek. ( Bv. logopedie, audiologisch centrum, motorische ondersteuning van "De Sprienke" of testen door het RPCZ.) Ook worden regelmatig ouders uitgenodigd om bij de consultatie omtrent kun kind aanwezig te zijn, zodat ze mee kunnen praten over de ontstane problematiek. De hulpvraag richting consultatie en de werkafspraken komen in het dossier van de betreffende leerling en in de zorgverbreding map van de intern begeleider.

2.3.5 De overgangsbespreking

De vijfde leerlingenbespreking noemen we ook wel de overgangsbespreking. Tijdens dit overleg wordt besproken welke leerlingen;

  • op een versnelde wijze door mogen. Kinderen die een groep over mogen slaan zijn degene die op cognitief gebied een zeer snelle ontwikkeling doormaken. Bovendien dienen we ook de overtuiging te hebben dat de leerling er emotioneel aan toe is. In eerste instantie voelen we het meest voor verdieping en verrijking van de leerstof. Zeker nu we de laatste tijd vaker adaptief te werk gaan, kan het gebeuren dat een leerling beter tot zijn recht komt in een hogere groep. Aandachtpunten zijn dus:
    • Sociaal-emotioneel moet het kind niet geen hinder ondervinden;
    • Kinderen die het aangaat moeten er blijk van hebben gegeven over een betere dan gemiddelde begaafdheid te beschikken en dus ook in hun leerontwikkeling minimaal voldoen aan de criteria die op dat moment gelden voor de leerlingen uit de groep waar ze naar toe gaan;
    • Het kind moet ver uitgekeken zijn op de verdiepingsstof van de huidige groep en heeft ook al grote stukken leerstof van de vervolggroep geautomatiseerd;
    • Verwachten we problemen richting voortgezet onderwijs.
    Het is aan het hele team om een uitspraak over vervroegde doorstroming te doen. Ouders kunnen het niet afdwingen.
  • een pas op de plaats maken en een jaar overdoen.
    Gebleken is dat het voor sommige leerlingen met grote leerachterstanden beter is om een jaar extra te doen in een groep zodat deze wel aan de overgangscriteria kan voldoen. Ook leerlingen met grote ontwikkelingsachterstanden in groep 1 of 2 kunnen we soms nog een jaar in dezelfde groep laten. Voor een definitief besluit genomen wordt, zal de groepsleerkracht en de interne begeleider een gesprek aangaan met de ouders.
  • welke leerlingen de leerlingenbespreking kunnen verlaten.
    In deze laatste overgangsvergadering wordt tevens beslist welke leerlingen ook het komend schooljaar in het zorgcircuit blijven. De interne begeleider maakt aan de hand van de notulen van de afgelopen vergaderingen een overzicht met daarin:
    • Het totale aantal leerlingen die men heeft ingebracht;
    • De soorten problemen die aan de orde zijn gesteld;
    • Het aantal handelingsplannen wat we af hebben kunnen sluiten.

2.3.6 De teambespreking

In een aantal gevallen is het noodzakelijk dat zaken omtrent leerlingenzorg ook in de teambespreking aan de orde komen.

  • De organisatie van de zorg.
    Als er veranderingen in de zorgstructuur aangebracht moeten worden zullen deze eerst de goedkeuring moeten krijgen van het team. Dat is bijvoorbeeld het geval als we nieuwe formulieren invoeren.
  • Nascholing.
    Wanneer we afspraken maken welke cursussen we willen volgen.
  • Nieuwe leerlingen.
    Wanneer door verhuizing nieuwe leerlingen bij ons op school komen, kan het voorkomen dat deze op hun vorige school ook in het zorgcircuit zaten. Om tijd te winnen worden deze kinderen binnen een teambespreking aan de orde gesteld.
  • Onverwachtse calamiteiten.
    Als zich onverwachts met een groep of een leerling problemen voordoen die niet kunnen wachten op de andere besprekingen, kan men dit aan de interne begeleider aangeven en komt dit als een extra punt op de teambespreking.

    De afspraken t.a.v. de punten c en d worden in het kader van de privacy buiten de notulen gehouden. Deze afspraken worden wel verwerkt in de dossiers van de betreffende leerlingen en komen in de zorgmap van de intern begeleider.

2.3.7. bovenschoolse consultatie

Een vijftal keren per jaar komt onze internbegeleider Cor Geus met de interne begeleiders van het Stichting Katholiek Onderwijs Borsele, de interne begeleider van de Leeuwerik uit Lewedorp, de schoolarts, iemand van bureau Jeugdzorg, iemand van het Maatschappelijk Werk en Leonie van der Maden van het RPCZ samen, om over leerlingen te praten die op school, maar vooral in de thuissituatie voor enorme problemen zorgen.

2.4 Zorg op schoolniveau

Bij zorg op schoolniveau gaat het om extra hulp, die binnen de school door anderen dan de eigen leer-kracht aan het kind wordt gegeven. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen interne ondersteuning van bijvoorbeeld de remedial teacher, een andere leerkracht of de intern begeleider en externe onder-steuning door bijvoorbeeld een ambulant begeleider van een school voor speciaal basisonderwijs, een medewerker van de schoolbegeleidingsdienst of een medewerker van de jeugdhulpverlening.

2.4.1 Zorg op schoolniveau

Vanuit de leerlingenbespreking wordt bepaald welke leerlingen in aanmerking komen voor hulp buiten de groep om. De interne begeleider dient er op toe te zien dat de interne ondersteuning goed verloopt. Hij zal ervoor moeten waken dat het aanbod van kinderen niet te groot wordt. Eventueel zullen keuzes gemaakt dienen te worden.

Criteria voor extra hulp:

  • De hulp aan het kind die we intern bieden dient een redelijk perspectief te hebben op verbetering; d.w.z. dat we uiteraard geen problemen aanpakken waarvoor we zelf niet de deskundigheid hebben.
  • De achterstand van het kind moet dusdanig zijn dat het via hulp binnen de groep niet meer te herstel-len is.
  • Wanneer er een stagnatie optreedt in de ontwikkeling van het kind dienen we hulp te bieden.
  • De ouders moeten er vanzelfsprekend mee instemmen dat die hulp geboden wordt.

Omdat de school het begeleiden van leerlingen met achterstanden een belangrijke zaak vindt is er ook een remedial teacher op school benoemd die in het bezit is van het diploma remedial teaching. De hulp die de remedial teacher kan bieden is vaak gespecialiseerder dan hetgeen extra in de groep kan worden aangeboden. Ook de interne begeleider geeft hulp aan leerlingen. We verwachten van de leerkrachten die buiten de groep om hulp aanbieden extra tips en aanwijzingen voor de groepsleerkrachten zodat de leerlingen ook in de groep met hun extra werk aan de slag kunnen.

2.4.1.1 Werken met handelingsplannen

Voor kinderen die in het hulpcircuit terechtkomen wordt een handelingsplan gemaakt. Het handelingsplan is onderdeel van een min of meer vaste cyclus en heeft betrekking op een vooraf vastgestelde periode. Deze min of meer vastgestelde cyclus ziet er als volgt uit;

  • Het signaleren van kinderen bij wie sprake is van specifieke pedagogisch-didactische behoeften.
  • Het analyseren en diagnostiseren van de problemen waarmee deze kinderen te maken hebben.
  • Het bespreken van de leerlingen in de voortgang- en leerlingenbespreking.
  • Het maken van een handelingsplan aansluitend op de analyse en diagnose in de vorige fase.
  • Het uitvoeren van de geplande ondersteuning.
  • Het evalueren van de doelstellingen uit het gemaakte handelingsplan.

De gang van zaken wordt om de 6 a 8 weken in de leerlingenbespreking geëvalueerd.
In een aantal gevallen komt het voor dat we er voor gekozen hebben leerlingen binnen onze school te houden, die wellicht zonder onze specifieke inzet in het Speciaal Basis Onderwijs terechtgekomen zouden zijn. Dat zijn leerlingen waarvan we de verwachtingen bij moeten stellen. Voor deze leerlingen maken we een planning voor de langere termijn.

2.4.1.2 Verantwoordelijkheid

Omdat meerdere mensen betrokken zijn bij het proces van samenstellen en uitvoeren van het handelingsplan, is het zinvol nog eens stil te staan, wie nu eigenlijk de eindverantwoording draagt. De groepsleerkracht is de eerst verantwoordelijke voor het onderwijs aan de betrokken leerling. Dat geldt ook voor het onderwijs dat op basis van een handelingsplan, afwijkt van het geldende standaardpakket. Het houdt niet in dat de groepsleerkracht de enig verantwoordelijke is, want ook degene die meehelpt het handelingsplan uit te voeren draagt een stuk verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering. Ik denk zelfs dat het verstandig is gebruik te maken van de deskundigheid van elkaar.

2.4.2 Externe ondersteuning

Onder externe ondersteuning verstaan we de ondersteuning bij de hulp aan leerlingen door instanties van buiten de school. Deze organisaties worden natuurlijk niet zomaar ingeschakeld. De ingeschakelde hulp is gebonden aan bepaalde criteria die we hieronder beschrijven. Min of meer een uitzondering daarop vormt de consultatie.

Consultatie. Zo'n 4 a 5 keer per jaar vindt er een consultatie plaats tussen een medewerker van het R.P.C.Z. en het team van de Jan van Schengenschool. ( Op dit moment Leonie van der Maden) Leonie ontvangt vooraf materialen en hulpvragen t.a.v. leerlingen die we inbrengen. Ze geeft adviezen aan de intern begeleider, de remedial teacher en de groepsleerkrachten omtrent de leerlingen die we aan de orde stellen. De intern begeleider neemt na de leerlingenbespreking contact op met deze medewerker en geeft informatie over de leerlingen die we gaan bespreken door, zodat deze zich op de problemen kan oriënteren.

2.4.2.1 Criteria voor het inschakelen van externe hulp

Externe hulp wordt ingeschakeld als:

  • De extra hulp die we als school aan het kind aangeboden hebben niet tot de gewenste resultaten leidt.
  • Duidelijk is dat de deskundigheid die we als school in huis hebben geen antwoord biedt op de zorg-vragen van de leerling.
  • Ouders niet voldoende vertrouwen hebben in de competentie van de school en staan op een tweede mening of een onafhankelijk onderzoek.

Als aan één van bovengenoemde criteria voldaan is moet er externe ondersteuning gevraagd worden. Daarbij hebben we onderling een paar afspraken:

  • Het inschakelen van externe steun gebeurt op voorstel van de leerkrachten die hiervoor hun fiat hebben gegeven in de leerlingenbespreking.
  • De groepsleerkracht verzamelt samen met de remedial teacher de materialen die men dient op te sturen en samen vult men eventueel nieuwe papieren in. De intern begeleider controleert één en ander, legt contacten met de begeleidende instantie en stuurt materialen op.
  • Wanneer we onderzoek willen starten voor het Zorgplatform geven we de ouders inzage in de papieren die we opsturen.

2.4.2.2 Instanties die betrokken zijn bij het ondersteunen van zorgleerlingen

Er zijn diverse instanties die we in kunnen schakelen in de ondersteuning van zorgleerlingen. Daarbij is de frequentie van de contacten met de diverse hulpverleners nogal verschillend. Binnen het team hebben we afgesproken dat de intern begeleider de contacten met de externe zorgverleners onderhoudt. Bovendien zijn er regelmatig veranderingen in "zorgland". Het is daarom handig dat één persoon dat voor zijn rekening neemt. Bij de beschrijving van deze contacten zal ik uitgaan van de situatie zoals die nu geldt.

# Zorgplatform Weer Samen Naar School (W.S.N.S.)
Dit is zonder twijfel de instantie waar we de meeste contacten mee onderhouden. Welke leerlingen er in aanmerking komen voor ondersteuning van het Zorgplatform wordt bekeken tijdens de leerlingenbespreking. Het gaat in de meeste gevallen om leerlingen die leerproblemen hebben. In het nieuwe Zorgplan van het samenwerkingsverband wordt aangegeven op welke manier het Zorgplatform in de toekomst gestalte krijgt. Er is een centrale intake, zodat de scheiding die in het verleden bestond tussen vragen over leerlin-gen bij het Zorgplatform en het R.P.C.Z. tot het verleden behoort. Het Zorgplatform gaat aan de hand van de hulpvraag na welke deskundigheid er ingeschakeld gaat worden. Daarna volgt een gesprek met:

  • R.P.C.Z. vertegenwoordiger
  • S.B.O. vertegenwoordiger (voorheen speciaal onderwijs)
  • B.A.O. vertegenwoordiger
  • Zo nodig andere deskundigen.

Wat onze school betreft zal de vertegenwoordiger van het B.A.O, de groepsleerkracht van het besproken kind zijn en / of de remedial teacher die met de leerling gewerkt heeft. In de leerlingenbespreking (of wanneer er grote haast bij zit in de teambespreking) wordt er door de groepsleerkracht verslag uitgebracht over de bespreking. N.a.l.v. deze en een volgende bespreking zal er een handelingsplan opgesteld worden door iemand van de school of van het Zorgplatform. Vanuit het Zorgplatform wordt dan in de meeste ge-vallen iemand vanuit het SBO aangesteld die de ambulante begeleiding op zich neemt. Het kan ook zijn dat verder onderzoek noodzakelijk is. De uitslag van deze onderzoeken zullen het verdere verloop van de hulp bepalen.

# Het bureau Jeugdzorg.
De instellingen van de jeugdzorg in Zeeland hebben sinds kort hun krachten gebundeld. Alle vormen van jeugdzorg zijn toegankelijk via dit bureau. In het bureau Jeugdzorg werken samen:

  • Alle instellingen voor Algemeen maatschappelijk Werk;
  • De Stichting Jeugdzorg Zeeland (de sectoren jeugdbescherming, Jeugdhulpverlening en Pleegzorg);
  • De Stichting Agogische Zorgcentra Zeeland (AZZ)
  • De Stichting Emergis (waaronder Ithaka en voormalig RIAGG)

(Als er sprake is van een probleem op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg kan het kind direct worden doorverwezen. Dit kan alleen door huisartsen en /of kinderartsen Zij verwijzen direct door naar het Ithaka; kinder- en jeugdpsychiatrie)

  • De Raad van de Kinderbescherming.

Via het bureau Jeugdzorg zullen vooral kinderen met sociaal emotionele problemen aangemeld worden. Het intaketeam bekijkt vervolgens welke hulp het meest adequaat is. Dit team verwijst dan naar de eerste- of tweedelijns jeugdzorg. Het kan daarbij gaan om:

  • maatschappelijk werk
  • RIAGG (Emergis)
  • Centrum voor jeugdpsychiatrie
  • Boddartcentrum

Er zijn verschillende kinderen bij ons op school die op deze manier, op initiatief van ouders of school, in de jeugdzorg terechtgekomen zijn. Zoals gezegd gaat het dan meestal om kinderen die gedragsproblemen vertonen. De ondersteuning bestaat vaak uit gesprekken met de leerkracht over de aanpak van de aangemelde leer-ling, zodat deze overeenkomt met de strategie die door de hulpverlener is uitgestippeld. Meestal is hierbij geen sprake van een planmatige aanpak, maar meer van het op de hoogte stellen van de voortgang van de hulp, het geven van adviezen en het afstemmen van de strategie. Het overleg vindt in de meeste gevallen plaats met de groepsleerkracht en eventueel de intern begeleider.

# Ambulante hulp van de 2/3 scholen.
Enkele scholen voor speciaal onderwijs zijn niet aangesloten bij het samenwerkingsverband. Dat zijn bijvoorbeeld de mytylscholen, of de school voor spraakgebrekkige en slechthorende kinderen. Deze scholen bieden eveneens ambulante begeleiding voor kinderen die in aanmerking zouden kunnen komen om toegelaten te worden op onze scholen. Bovendien is daar ook extra formatie voor beschikbaar gesteld. Dat brengt tevens de verplichting mee tot een planmatige aanpak en de inzet van de formatie voor het begeleiden van de desbetreffende leerling. Het overleg vindt plaats met de groepsleerkracht en degene die het kind op school zal begeleiden.

# Het Carrouselteam Oosterschelde ziekenhuis.
Als we vermoeden dat de problematiek van het kind gezocht moet worden in een medische oorzaak, adviseren we de ouders via de huisarts een verwijzing te vragen voor het Carrousselteam van het Oosterschelde ziekenhuis te Goes. In dit team zijn een aantal medische disciplines vertegenwoordigd.

# De gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland.(G.G.D.)
Jaarlijks krijgen we op school bezoek van de jeugdarts, de jeugdartsassistente en de logopedist die de vijfjarigen onderzoekt op taal- en spraakontwikkeling. Ook tussendoor zoeken we wel eens contact met deze mensen en leggen we een hulpvraag neer. De groepsleerkracht gaat de gesprekken aan.

# Incidentele contacten.
Naast bovengenoemde instellingen zijn er nog diverse contacten met hulpverleners. We noemen bijvoor-beeld contacten met logopedisten, fysiotherapeuten, vertrouwensarts, Jeugdzorg Zeeland, Medisch Kin-derdag Verblijf, etc. Ook hier is de groepsleerkracht degene die de gesprekken voert. Daarnaast zorgt de intern begeleider voor het onderhouden van de contacten samen met de groepsleerkracht.

2.5 Het Speciaal Basis Onderwijs

Ondanks het feit dat we op school proberen kinderen op diverse niveaus een zodanige begeleiding te bieden dat ze op de basisschool kunnen blijven functioneren, zijn er toch kinderen die beter op hun plaats zijn binnen het speciaal basis onderwijs. In de meeste gevallen zal het zo zijn dat deze kinderen al een heel traject van zorg achter de rug hebben. De nieuwe opzet binnen het samenwerkingsverband "De Bevelanden" is daar ook op gericht. In de nieuwe opzet verloopt de verwijzing via het Zorgplatform naar de Permanente Commissie Leerlingenzorg. Daarmee is meteen ook geregeld dat externe deskundigen hun visie geven op de mogelijkheden van het kind. Daar zal een gedegen psychologisch en /of pedagogisch onderzoek aan vooraf zijn gegaan. Samen met de school zal bekeken moeten worden in hoeverre de school zijn mogelijkheden kan afstemmen op het kind. Als blijkt dat die mogelijkheden te beperkt zijn, zal het kind doorverwezen moeten worden naar een andere basisschool of naar een school voor speciaal basisonderwijs (SBO). De vraag of een kind doorverwezen moet worden naar de SBO, moet dus in samenspraak met ouders, team en het Zorgplatform beantwoord worden. Dat wil niet altijd zeggen dat er een ellenlang voortraject afgewerkt moet worden, om een kind te verwijzen. Soms kan na een eerste gesprek met het Zorgplatform en een onderzoek van een deskundige al de conclusie getrokken worden dat verwijzing beter is. We moeten voorkomen dat we krampachtig proberen, kinderen toch maar binnen het basisonderwijs te houden. Wanneer moet een kind verwezen worden naar de SBO?

  • Als blijkt dat de mogelijkheden van de school en het kind niet op elkaar afgestemd kunnen worden. Dat zal moeten blijken uit onderzoek door deskundigen.
  • Als het kind zich, ondanks het continuüm van zorg zowel intern als extern, niet goed heeft ontwikkeld.
  • Als het kind dusdanige gedragsstoornissen vertoont, dat het voor de school onmogelijk wordt het kind op school te handhaven.

2.6 De rol van de ouders

In het hele zorgproces zoals dat hierboven geschetst is, is de rol van de ouders uiteraard erg belangrijk. In veel gevallen betekent het een toeneming van het aantal contacten tussen school en ouders, maar ook de complexiteit van de contacten neemt toe. Als er niet voldoende helderheid geschapen wordt binnen die communicatie is het goed mogelijk dat ouders verwachtingen van school hebben die niet waar gemaakt kunnen worden, en omgekeerd is het niet denkbeeldig dat de school het ontstaan van de problemen in de thuissituatie zoekt, zonder daarbij de hand in eigen boezem te steken.

Zorg op groepsniveau.
Bij extra zorg op groepsniveau gaat het om onderwijs in de eigen groep, waarbij de leerkracht, waar mogelijk, rekening houdt met verschillen tussen leerlingen. Wanneer er op dit niveau sprake is van extra zorg betreft het extra steun die door de eigen leerkracht wordt gegeven. Beslissingen over dit soort extra zorg worden door de leerkracht, vaak in overleg met de intern begeleider, genomen. Bij extra zorg op dit niveau is het de leerkracht die als gesprekspartner voor de ouders fungeert. Vaak zullen de reguliere contacten, zoals die er tijdens de rapportgesprekken zijn, voldoende zijn om de ouders daarover te informeren. Wanneer er echter tussentijds sprake is van het meegeven van extra werk aan een kind, moeten ouders daarvan op de hoogte gesteld worden en hen verteld wat de problemen zijn, wat ze van school op dit gebied in eerste instantie kunnen verwachten en wat er van de ouders zelf verwacht wordt. Zorg op schoolniveau.

interne ondersteuning.
Zoals hierboven al duidelijk geworden is, gaat het hier om het geven van extra zorg binnen de school door iemand anders dan de eigen leerkracht. Vrijwel altijd zal deze hulp het gevolg zijn van leerlingen voort-gangs- en /of leerlingenbespreking. Voordat de extra interne hulp een aanvang neemt worden de ouders door de groepsleerkracht op de hoogte gesteld. Interne ondersteuning wordt alleen met toestemming van de ouders gegeven. We vragen schriftelijke toestemming. Wanneer de schriftelijke toestemming terugkomt kan de hulp beginnen. De toestemming verdwijnt in het leerlingendossier van de leerling.

externe ondersteuning.
Hieronder verstaan we het inschakelen van externe hulpverleners die de leerkracht of het kind hulp komt bieden binnen de school. Het kan daarbij gaan om zowel directe als indirecte ondersteuning, alsmede om het afnemen van onderzoeken e.d. Tot de inschakeling van deze hulp is in overleg met het gehele team besloten. Meestal zal er al overleg met ouders tot stand gekomen zijn omdat het kind op een ander niveau hulp gekregen heeft. Bij deze ondersteuning is in ieder geval de (schriftelijke) toestemming van de ouders nodig en formeel is het vaak zo dat ouders zelf de hulp voor hun kind aan moeten vragen. In alle gevallen zal dus van tevoren overleg gevoerd moeten worden met de ouders. In dat gesprek zullen de volgende onderwerpen aan de orde komen:

  • de gesignaleerde problemen,
  • de motivatie van het inschakelen van hulp,
  • welke externe hulp we als school voorstaan en waarom,
  • hoe ouders tegen de problemen aankijken en wat ze van het voorstel vinden,
  • wat ouders van de zorgverleners kunnen verwachten,
  • hoe het traject eruit ziet dat afgelopen moet worden.

Bovengenoemd gesprek wordt met de ouders gevoerd door de leerkracht van het kind en indien nodig samen met de intern begeleider.

In een enkel geval kan het voorkomen dat zonder toestemming of medeweten van de ouders een hulpinstantie wordt benaderd. Dat gebeurt alleen als dat moeilijk anders kan. We denken dan aan signalen of hulpvragen naar bijvoorbeeld Bureau Vertrouwensarts of de Raad voor de Kinderbescherming.

Verwijzing naar speciaal basis onderwijs.
Wat hierboven geschreven is over het inschakelen van externe zorg, geldt in feite ook voor de verwijzing naar speciaal basis onderwijs. Zonder toestemming van de ouders kan een kind eenvoudigweg niet ge-plaatst worden. Als school dienen we daar dan ook zeer zorgvuldig mee om te gaan. Het is belangrijk om ouders al in een vroeg stadium bij het gehele proces, vanaf de eerste hulpverlening op schoolniveau tot het uiteindelijke advies het kind te plaatsten op een school voor speciaal basisonderwijs, te betrekken. Ouders kunnen hun kind eventueel rechtstreeks aanmelden bij de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL). Wel zal de PCL daarna een gesprek regelen tussen school, ouders en het Zorgplatform inschakelen voor het verkrijgen van de benodigde gegevens.

Andere aandachtspunten in het contact met ouders.

  • De ouders zijn degenen die het laatste woord hebben in het besluit of, en in welke vorm extra zorg geboden wordt.
  • Ouders hebben het recht om zo volledig mogelijk geïnformeerd te worden over hun kind; d.w.z. dat zij ook volledige inzage hebben in het dossier wat over hun kind op school aanwezig is.
  • Informatie over kinderen aan derden mag slechts na (schriftelijke) toestemming van de ouders ver-strekt worden.

2.7. beleid ten aanzien van 'de zorg naar boven' op de Jan van Schengenschool

Vanzelfsprekend zijn we op onze school al lang bezig, om leerlingen die beperkingen hebben t.a.v. de leerstof of op sociaal-emotioneel gebied te helpen om tot een beter niveau te komen.
Ook echter voor leerlingen met veel capaciteiten proberen wij in te spelen op hun mogelijkheden.
Vooraleer we echter tot beslissingen zijn overgegaan hebben we ons eerst laten informeren naar de kansen, mogelijkheden en onmogelijkheden. We hebben navraag gedaan bij het Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland, maar ook bij die scholen van voortgezet onderwijs waar veel leerlingen van de Jan van Schengenschool naar toe gaan. We hebben contact gehad met een brugklascoördinator en een zorgcoördinator en we hebben gevraagd hoe te handelen. Dit om te voorkomen dat wij het gras voor de voeten van die scholen zouden weg gaan maaien.(= leerstof aanbieden die op het voortgezet onderwijs ook wordt aangeboden).

Naar aanleiding van bovenstaande gesprekken zijn wij er toe gekomen om op drie manieren aan onze leerlingen met veel capaciteiten hulp te bieden en dat houdt in:

a. het verbreden/verrijken van de leerstof. We hebben materialen bij elkaar gezocht die de kinderen extra kunnen doornemen, wanneer ze met de basisstof klaar zijn. (ook onze moderne methodes spelen hier al op in door meer en weer-taken of door extra taalopdrachten).
b. versnelling: Het kan voorkomen dat we kinderen op een versnelde wijze door de leerstof laten gaan.
c.  We geven de leerlingen extra uitdaging als ze al op een eerder moment met de leerstof klaar zijn. Met het voortgezet onderwijs is afgesproken om dan al niet te starten met bijvoorbeeld wiskunde of een vreemde taal, die men daar ook geeft. We kiezen voor een bijvoorbeeld een cursus schaken of dammen. Wanneer een leerling in de bovenbouw echt veel over heeft, kan men ook denken aan een cursus van bijvoorbeeld NTI of LOI (sterrenkunde) die de leerling zelfstandig doorneemt.
Eventueel kan het ook gebeuren dat we ee leerling een leerjaar in niveau over laten slaan, maar dit is niet alleen afhankelijk van het gegeven dat het kind 'slim' is. De leerling moet dan sociaal-emotioneel goed functioneren, geen faalangst hebben, motorisch goed ontwikkeld zijn, zeer zelfstandig zijn en een brede algemene belangstelling hebben.

Er zijn namelijk nogal wat factoren die het schoolsucces van het kind negatief kunnen beïnvloeden zoals:

* de intelligentie, die bijvoorbeeld beslist niet altijd parallel loopt met de schoolvorderingen.
* ook komen we geregeld leerlingen tegen met een hoog verbaal IQ (taalvaardigheden), maar met een laag    performaal IQ (ruimtelijk inzicht). Liggen deze getallen meer dan tien punten uit elkaar, dan zie je toch dat    leerlingen vaak problemen ondervinden ondanks het feit dat het totale IQ dan toch een hoog cijfer geeft.
* ook het doorzettingsvermogen en de ijver spelen een grote rol. Sommige leerlingen kunnen wel, maar willen    niet. Het is dan aan de leerkrachten (en de thuissituatie) om de kinderen dan toch aan het werk te krijgen.
* Faalangst kan ook een ernstige belemmering zijn, waardoor de leerling niet tot de juiste resultaten komt,        zeker als hij of zij daarnaast ook problemen heeft met zelfstandig werken.
* Zeer belangrijk zijn de intrinsieke motivatie  (m.a.w. men is gemotiveerd door de activiteit zelf; leren om  te    leren) en de extrinsieke motivatie (studie- en huiswerkaanpak).
* Wanneer een kind sociaal-emotioneel niet goed in zijn vel zit, kan het gebeuren dat een leerling gaat            onderpresteren om maar niet op te vallen in de groep waar hij of zij zit.

Zo kunnen we nog een aantal zaken noemen, zoals bij voorbeeld het ouderlijk milieu (het moeten presteren!), de klas waarin het kind terecht komt ( je bent een nerd als je een 10 wilt halen!)

Bij ons op school richten we ons met onze 'zorg naar boven' naar leerlingen waarvan bekend is dat ze een bovengemiddeld tot hoog begaafd IQ hebben. (Wel is van belang te weten wanneer deze IQ-test is afgenomen. Op de kleuterafdeling en in groep 3 zie je vaak nog grote fluctuaties, m.a.w. een IQ van 135 kan een jaar of twee later een IQ van 115 blijken te zijn. Hoe jonger afgenomen des te groter de kans op een afwijkende normering). We kijken ook naar de leerlingen die bij onze CITO-toetsen op een A-niveau uitkomen. Voor deze leerlingen worden aparte handelingsplannen gemaakt.

We ondernemen de volgende acties:

in groep 1:
We werken voor rekenen met Heinevetter entertrainers
               voor taal met Schatkist taal.
Leerlingen maken ook al gebruik van allerlei keuzematerialen (puzzels e.d.) wat eigenlijk gereserveerd is voor de leerlingen van groep 2. We hebben dusdanig veel materialen dat we al spullen van groep 2 kunnen gebruiken.

in groep 2:
We werken voor rekenen met Heinevetter entertrainers.
                voor taal met Schatkist taal.
Leerlingen maken volop gebruik van extra moeilijke puzzels, denkspelen, voorbereidend lezen.

We hebben op Jan van Schengen de afspraak gemaakt dat alle leerlingen de basisstof meedoen. Dit kan voor hele goede leerlingen wel betekenen dat ze deze stof versneld doorlopen. We willen echter voorkomen dat ze in de bovenbouw tegen fouten aanlopen, omdat ze in de onderbouw bepaalde zaken niet uitgelegd hebben gekregen.
Onze methode Rekenrijk die vanaf groep 3 start, biedt voor leerlingen die 'over' hebben, zogenaamd 'meerwerk' aan.

in groep 3:
We werken voor rekenen met Piccolo, Stenvertblokken, computersom-rekenen (Ambrasoft).
                voor  begrijpend lezen met Feestneus (Veilig Leren Lezen).
                voor taal: kern 1 tot en met 6 Letterzetter van Veilig Leren Lezen en kern 7 tot en met 12                               Woordzetter van Veilig Leren Lezen.
Zeer snelle leerlingen mogen al beginnen met Computer-tafelprogramma;
AVI-lezen gaat op eigen niveau. Leerlingen worden gestimuleerd te lezen in het niveau wat ze nog niet behaald hebben.
Onze taalmethode 'Taalactief' geeft volop extra oefenstof voor de snelle/goede leerling vanaf groep 4.

in groep 4:
We werken met rekenen met Stenvert blokken in eigen tempo; Computerprogramma Hoofdwerk en Piccolo.
                met taal in Stenvertblokken in eigen tempo; Computerpprogramma Woordentotaal. taalboek                                     extra; taalkaarten, spellingskaarten.
                voor begrijpend lezen: Plustaken begrijpend lezen.

in groep 5:
Rekenen: nadat de basisstof doorgewerkt is, maken ze opdrachten uit de werkboeken en in hun eigen tempo
               met Rekenen Stenvert blokken. Rekentoppers, Hoofdwerk-computerprogramma en Somplex voor
               hoofdbegaafden.
Begrijpend lezen doen de leerlingen in groepjes zodat de leerlingen elkaar kunnen, moeten helpen (leren samenwerken). Plustaak begrijpend lezen wordt ingezet onder niveau-lezen.
Nederlandse taal: Stenvert taalblokken en Taalmakkers.

Vanaf groep 6:
Hier kunnen de individuele leerlingen aan de slag met aparte computerprogramma's. De kinderen dienen dan wel zover te zijn, dat ze zelfstandig, zonder faalangst deze programma's kunnen doorlopen, want men zit voor deze programma's niet in de eigen groep, maar in de ICT-ruimte van onze school.
We werken met: www.meestersipke.nl
                        www.webkwestie.nl
                        www.digibasisschool.nl
                        www.kennisnet.nl
                        www.basisonderwijs.startpagina.nl
                        www.basisschool.startje.nl
                        www.startkabel.nl/k/basisonderwijs

in groep 6:
We werken met rekenen met Plustaken rekenen; Rekentoppers en Somplex.
                met begrijpend lezen met Plustaak begrijpend lezen.
                met Nederlandse taal met Plustaak Taal, extra kaarten spelling en het computerprogramma                                          Woordentotaal.

Vanaf groep 7:
leerlingen die ver voorlopen op andere leerlingen in de klas mogen nu zelfstand een powerpointpresentatie gaan makenof een cursus schaken/dammen volgen.

in groep 7:
We werken met rekenen met Rekentoppers, Plustaak rekenen, Somplex.
                met begrijpend lezen: Plustaak begrijpend lezen.
                met taal: Plustaak taal, extra verrijkingstaken en extra spellingskaarten.

in groep 8:
We werken met rekenen met Rekentoppers, Plustaken rekenen en verdiepingsbladen kopieermethode.                        Somplex.
                met begrijpend lezen: Plustaken begrijpend lezen; Lestra hoofdgedachte.
                met taal: Plustaak taal; extra taalverrijkingskaarten, extra zinsontleding en woordbenoeming en                                   extra spelling.